Full Lyrics
God is mijn licht, mijn salichheyt,
voer wien sal ick beven?
Voor wie sal ic scromen Gods maiesteyt,
die wil beschermen mijn leven,
wanneer op mi versellen,
die bose mijn vleysch te vernielen,
mijn vyande die me quellen
als rebellen,
men sach hoe sij vielen.
Als quam tot mi een heyr seer groot,
gheen vrees en sal my nopen,
al waert een strijt al totter doot,
daer in soe sal ic hopen.
Ick heb een dinck hier in dit dal,
ghebeden: dat ick mocht wonen,
int huys des Heeren, mijn leven al
en ick eysschen sal,
dattet my die Heer wilt thonen.
Dat ick sien mach Gods wil, en nuecht.
Sijn tempel mach besoecken:
hi heeft mi verborghen al doer zijn duecht,
binnen zijnre wooning hoecken.
Als ick quam druck beneven,
seer hooch stelden my zijn handen.
Op eenen steen ghedreven,
heeft hy verheven,
mijn hooft, op mijn vyanden.