Full Lyrics
Ghedenck, o Heer, David dijn knecht
end al zijn lijdsaem heyden.
Hi heeft ghesworen den Heer oprecht,
sijn loef ten willen verbreyden,
tot Iacobs God:
dat is het slodt,
en heeft willen bescheyden
Ist dat ick gae in mine tent
en climme op mijn slaep stede,
st dat ick slaep mijnooghen toe sent,
en mijn wenkbrauwen mede,
tot dat ick pladt:
.vind' Iacobs stadt,
Gods Iacobs huys met vrede.
Wij hoorden, siet, dees staat voerwaer
in Ephrata ghepresen,
en vonden die in velde aldaer,
daer boomen waren gheresen,
wij sul'n in zijn huys,
sonder confuys,
daert goet is in te wesen.