Full Lyrics
Het aertrijck met zijn overvloedichheyt,
hoort den Heere met die werelt seer playsant,
met alden menschen daer in verspreyt,
op dat water gheplant
heeft hi daertrijck vaelant
doer zijn groote hant.
Wie sal nu climmen op Gods berge fijn?
Wie sal staande bliven in zijn plaettse goet?
Dyen zijn handen hier onnosel zijn,
die suyver is van moet,
die gheen ydelheyt doet,
met zijn siel verwoet.
Die met gheen valsheyt gesworen heeft,
sinen naesten, sal ontfanghen altijt meer,
die benedixi die God hier gheeft.
En bermhertichheyt seer,
sal hi crighen met eer,
van zijn salichheyt den Heer.